Geschiedenis van de Engelse Cocker Spaniel


De Engelse Cocker kan bogen op een lange voorgeschiedenis, hoewel deze benaming van latere tijd is en men vroeger de algemene naam “Spaniel” gebruikte. De Spaniel was van oudsher een hond bedoeld voor de jacht, speciaal op vliegend wild, de zogenaamde “vogelhonden”. Zo staat vermeld dat het Koningshuis Anjou Plantagenet (1154-1399) twee soorten vogelhonden voor de jacht gebruikte, namelijk voor de jacht met de valk en met netten. Hieruit vind een van de oorsprongen plaats naar de verschillende fokrichtingen. 

De vogelhond had bij de valkenjacht tot taak het wild op te zoeken en op te stote, zodat het zichtbaar werd, waarna de valken vanaf de vuist (met lederen handschoen) konden opvliegen om het wild te “slaan”, te vangen. Bij de jacht met netten lag de taak van de hond juist anders. Hierbij moest de hond het wild aanwijzen en ervoor gaan liggen, zodat het net over hem en het wild getrokken kon worden. Naast deze twee zuiver gescheiden taken bestond ook nog de mogelijkheid de hond zo af te richten dat hij voor het wild ging staan of liggen om de valkenier in de gelegenheid te stellen vanuit een voor hem geschikte plaats zijn valk te laten opgaan omzijn werk te kunnen doen. Op deze wijze konden in samenwerking ook hazen en konijnen bemachtigd worden. 

In het latijn schreef Keizer Friedrich II (1215-1250) zijn “Dearte venandi cum avibus”, een leerboek voor de jacht met de valk. Het hoogtepunt van deze jacht ligt in de Renaissance tijd, de 16de eeuw. Maar door de uirvinding van het vuurwapen werd deze soort jacht teruggedrongen en daardoor veranderde ook de taak van de honden. Deze vogelhonden werden beschreven en afgebeeld als een hond in afmetingen van klein tot middelgroot, langharig, bevederd en veelal - vooral in latere tijd - gecoupeerd. 

Een van de oudste afbeeldingen is die op een munt van de vader van Alexander de Grote (350 voor Chr.).Dan zijn er nog vele gravures, etsen en schilderijen. Maar voor de beschrijvingen vinden we in Zuid-Wales voor het eerst iets in de verordeningen van Koning Howell de Goede uit 948. Woordelijk wordt hier voor het eerst de naam Spaniel gebruikt. In al de oude geschriften wordt deze naam echter geschreven als “Spaynell”. Maar voor het eerst ziet men de naam in zijn huidige schrijfwijze naar voren komen in Shakespeare's Zomernachtdroom in 1594. Waar echter het woord Spaniel vandaan komt, valt slechts te gissen.Sommigen menen dit etymologisch te moeten bekijken en gaan daarbij uit van “Espanholz, Espagnol, Espagneul-Spaniel-Spanjoel of Spanjool: De hond uit Spanje". 
Anderen denken aan de naamsafleiding van het woord “Span” dat bij de Carthagers “konijn” betekende. Zij vonden bij hun landing vanuit Noord-Afrika veel konijnen en noemden dit land dan ook Spanje en de honden die er achter joegen “Spaniels”. Maar meer zekerheid is er over het woord “Cocker” of “Cocking”. Hierbij wordt bedoeld op de “Woodcock” (houtsnip) en rond 1800 komt deze naam dan ook steeds meer in gebruik. De “Cocker” was namelijk zeer geschikt voor de jacht op deze vogel. 

Duidelijk komt dan ook zijn eigenschap tot het uitdrijven van wild uit de dichte dekkingen naar voren. Werd de Spaniel oorspronkelijk onderscheiden in water- en de landspaniel, aan het begin van de 14de eeuw was er een onderscheid in “Creeping, Setting en Springing Spaniels”. In de 19de eeuw volgde een onderverdeling voor de honden boven en onder de 25 Engelse ponden. Zij die zwaarder waren dan 25 Engelse ponden werden ingedeeld bij de Field Spaniels, de lichtere bij de Cocker Spaniels. Deze beslissing werd bevestigd door de Engelse Kennel Club in 1893, terwijl negen jaar later de raspunten van de Engelse Cocker Spaniel werden vastgelegd, wat ook een typebeschrijving inhield. Het is Kolonel Claude Cane, medeauteur van “The Sporting Spaniel” een lid van de Engelse Kennel Club, die met de steun van Mr James Farrow heeft bewerkstelligd dat het wegen achterwege zou blijven en dat de indeling van de Field Spaniel en de Cocker Spaniel alleen volgens type zouden geschieden. 


Omstreeks de laatste eeuwwisseling wordt echter voor de Cocker Spaniel een nieuwe periode ingeluid. Bekend uit die tijd is onder andere de Kennel “Of Ware”, waarvan de grondslag in 1875 gelegd werd door Mr Lloyd wiens arbeid succesvol werd voortgezet door zijn zoon Mr H.S. Lloyd. Deze bezat de bekende zwarte Cocker Spaniel “Broadcaster of Ware” die een afstammeling was van “Obo”. Obo was van de bekende Spanielhervormer Mr James Farrow die, zoals Mr C.A. Philips in “The Sporting Spaniel” beschrijft, het niet nodig oordeelde het publiek in te lichten over zijn fokgeheimen. 

Maar een vaststaand gegeven is dat de honden van Mr J. Farrow als voorbeeld gediend hebben bij het vaststellen van de eerste standaard. De bonte teef “Sandy Obo”, deze helde al over naar het moderne type van korte rug en langere benen. Ook is het Mr James Farrow geweest die in Engeland in 1902 de eerste Cockerclub oprichtte. Werden de Spaniels in eerste instantie gehouden en gefokt door jagers, sinds 1870 komt daar een kentering in en neemt de Cocker langzamerhand een plaats in als huishond. Maar door andere personen wordt de eerst hondententoonstelling in Engeland, in Newcastle, in 1859 aangehouden als kentering. Juist is het dat de belangstelling voor deze variëteit door de jaren heen steeds is toegenomen. Een belangstelling die wel wisselde op het kleurenpatroon. Zo waren bij toerbeurt de zwarte, de rode of de bonte Cocker Spaniels favoriet, maar het karakter heeft toch voor veel eigenaars en/of fokkers de doorslag gegeven om zich met deze variëteit bezig te houden. 

Hoewel het jachtgebruik minder is en er ook bloedlijnen zijn waar de jachtaanleg met een lampje gezocht moet worden, zijn er door al de jaren heen gelukkig nog fokkers die met deze jachteigenschap rekening gehouden hebben of houden. Dit kan de Cocker Spaniel alleen maar ten goede komen. 

© Jos Geenen Van de Belgische Engelse Cocker Club, met toestemming overgenomen